holland op zijn mooist

Wilhelm Martin

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/wilhelm-martin/

Wilhelm Martin was directeur van het Mauritshuis te Den Haag en tevens een van de pioniers van de kunstgeschiedenis-wetenschap in Nederland. Zijn hoofdwerk is wel De Hollandsche schilderkunst in de XVII-de eeuw; Rembrandt en zijn tijd, uit 1936.
In hoofdstuk 7 van dat boek behandelt hij de geschiedenis van de Hollandse landschapschilderkunst.

“Het landschapschilderen hier te lande ontplooide zich sinds 1630 op een steeds breeder plan. Ontelbare kunstenaars beoefenden het. Het was een métier op zichzelf, waarvan de opleiding geheel anders was dan b.v. die van den conterfeyter. Verreweg de meeste onzer landschapschilders hebben nauwelijks andere onderwerpen gemaakt. Zij waren voor het meerendeel tevens knap in het stoffeeren met figuren, omdat de kleine gestalten bij het landschap behoorden. Eerst later, in de tweede helft der eeuw, werd de stoffeering soms door een ander kunstenaar aangebracht. Doorgaans beheerschte een landschapschilder slechts enkele soorten van onderwerpen, zooals b.v. maneschijn en sneeuw (Van der Neer), zee en sneeuw (v.d. Cappelle), bosch, duin en zee (Ruisdael)”.

De verscheidenheid is groot, niet alleen qua onderwerp:

“Er heerscht voorts een schier eindelooze verscheidenheid van opvatting: men schildert om het licht of om de kleur of om beide; het werk is tonig, kleurrijk of bont, intiem of weidsch, verhalend en opsommend of een indruk samenvattend, de werkelijkheid portretteerend of die slechts tot uitgangspunt nemend. Eindelijk is er een verdeeling naar groepen mogelijk volgens de techniek: die van Van Goyen en Salomon Ruysdael, die van Rembrandt, Lievens en Ph. Koninck, die van Cornelis Vroom en Jac. Ruisdael, die van Aelbert Cuyp en Both, enzoovoorts. Het werk van den een is vlot, een ander weer is kruimig; de een durft en vat samen, de ander peutert en analyseert.”

Sommige schilders zijn ware vernieuwers, Rembrandt en Vermeer voorop:

“Het lichteffect, dat reeds in 1630 een rol van beteekenis speelt in de toonschildering, wordt daarna bovenal door twee meesters in nieuwe banen geleid: omstreeks 1640 doet Rembrandt met zijn warm bruin tegen goud en lichtend grijs een nieuwe landschap-opvatting ontstaan en een kleine tien jaar later is Aelbert Cuyp degene die hier het eerst weiden, riviergezichten en heuvels tegen het zonlicht in schildert. […] De blanke kleur, die Vermeer omstreeks 1657 verkondigt in zijn monumentaal Gezicht op Delft, vindt geen navolging en het blijft vooreerst bij deze grootsche koloristische schepping, die niet vóór de 19e eeuw weerklank zou vinden. Wel komt hier omstreeks 1650 het verzadigd toonrijk landschap in zwang, dat in het eerst gedempte kleur vertoont, doch allengs rijker en sappiger wordt. Vermoedelijk zijn de werken van Paulus Potter en Philips Wouwermans de uitgangspunten van deze ontwikkeling, die haar hoogtepunten bereikt in de kunst van Adriaen van de Velde, Jac. Ruisdael en M. Hobbema. Deze faze ruimt plaats in aan uit natuurliefde geboren gevoeligheid en nauwkeurigheid. Zij is grootsch, maar in haar beekjes, watervallen en literaire elementen vertoont zij reeds de kiemen van den nabloei, gelijk vooral blijkt uit het late werk van Ruisdael.”

Het zijn zulke aan het Hollandse landschap vreemde elementen, die tenslotte het verval inluiden:

“Het is opmerkelijk, hoe vaak wij bij de realisten het streven ontmoeten om door het toevoegen van buitenlandsche gegevens, meest heuvels en bergen, beekjes en watervallen, aquaducten en antieke bouwvallen, de Hollandsche werkelijkheid te verfraaien. Dit doen ook tal van dierschilders, zelfs Aelbert Cuyp en vooral Wouwermans. Deze trek naar het romantische en idyllische neemt na 1650 sterk toe en is het gevolg van de kentering in de aesthetische opvattingen van kunstenaars en publiek, die wederom een idealiseering der natuur gaan begeeren. Deze verandering werkt tevens de ontwikkeling der pastorale (Berchem, Karel du Jardin) en der italianiseerende landschappen (Both, Hackaert) sterk in de hand.”

Pas in de negentiende eeuw zou een realistische benadering, door de schilders van de Haagse School, weer in de praktijk van de schilders, en de belangstelling van de kopers komen.
De gehele tekst leest men hier.