holland op zijn mooist

Vincent en het landschap

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/vincent-en-het-landschap/

Vincent en het landschap

Vincent van Gogh beschouwde zichzelf niet als landschapschilder. Maar hij heeft er toch zoveel gemaakt, vooral ook in Frankrijk, dat hij wel degelijk als een specialist mag worden beschouwd. Bovendien was Vincent ook een begaafd schrijver. In de brieven aan zijn broer legde hij steeds verantwoording af van zijn doen en laten. Zeker in de beginperiode, toen Vincent besloten had zich geheel aan de schilderkunst te wijden, spendeert hij in zijn brieven vele woorden aan de kunst, en ook aan de wijze waarop het landschap benaderd moet worden. In het onderstaande brieffragmenten uit de tijd dat Vincent in Den Haag het vak probeerde onder de knie te krijgen.

Hij bespreekt daarin niet alleen zijn eigen werk, waarover hij niet snel tevreden is, maar soms ook dat van anderen. Hij bewondert, zoals iedereen in die dagen, vooral de Franse naturalisten, onder wie Bastien Lepage de beroemdste was. In Den Haag telt hij Theophile de Bock onder zijn kennissen, maar De Bock stelt geen prijs op de adviezen van de aankomende schilder:

 

[jan 1882] “De Bock valt me niet mee op den duur, er is iets van een te zwakke ruggegraat in hem en hij wordt kwaad als men hem sommige dingen zegt, die toch maar ’t a b c zijn. Hij heeft gevoel voor landschap, hij weet er een soort charme soms in te brengen (o.a. in een groot schilderij, dat hij nu onder handen heeft) maar ik vind toch geen houvast aan hem. Het is te vaag en te ijl – du coton filé trop fin. Zijn schilderijen zijn een schaduw van een impressie, en die impressie is mijns inziens ternauwernood de moeite waard om zoo dikwijls gerepeteerd te worden.”

 Over de vergelijking tussen het figuur en de natuur:

“Ik ben toch zoo blij dat ik het figuur doorgezet heb tot dusver. Als ik landschap alleen gemaakt had, ja dan zou ik misschien nu reeds iets maken dat voor een prijsje te verkoopen was, doch dan zou ik later toch weer vast raken. Terwijl het figuur wel omslachtiger is, en een meer gecompliceerde zaak, doch het is solidener geloof ik, op den langen duur. De Bock kwam van middag eens hier. Juist terwijl ik naar ’t model zat te werken, en toen hij ’t model zag, ja toen begon hij te zeggen, dat hij toch ook wel trek zou hebben om figuur te gaan teekenen, doch hij doet het maar niet.

Landschapschilder zijn is niet alleen een economische keuze – een landschapje voor een prijsje verkopen, dat is de makkelijke weg – het is ook iets waarvoor je in de wieg moet zijn gelegd. Opvallend is dat Vincent ook zijn broer Theo overal in de brieven als een collega-artiest beschouwt. Theo is dan wel kunsthandelaar, maar dat is niet zijn werkelijke bestemming:

“Theo ik ben gedecideerd geen landschapschilder, als ik landschappen maken zal er zal altijd iets figuurachtigs in zijn. Het is evenwel dunkt mij erg goed dat er ook menschen zijn, die essentieel ‘paysagiste’ zijn. En het preoccupeert me sterk dat gij een zoodanig persoon zijn mocht – sans le savoir. Evenzeer preoccupeert me het omgekeerde, n.l.: Theo zijt gij inderdaad essentieel een handelaar?”

 En wat brieven eerder:

Zeg Theo, zoudt gij die gedachte eens willen rumineeren, of er geen fameus paysagiste in U zit. Wij moeten maar met ons tweeën schilder worden, court et bon, we zullen er den kost wel mee krijgen. Voor ’t figuur moet men meer trekos of werkezel zijn, meer homme de peine. There’s a long, long thought for you – old boy.

Theo blijf wat beter dan H.G.T. De zaak is Theo mijn broer, zich de handen niet te laten binden, door wie dan ook, vooral met geen vergulde ketting. Quoiqu’il en soit artist is gezonder; de pecuniaire zorg is erg vooral, ik zeg nog eens gij als landschapschilder zoudt die nog eerder te boven zijn dan ik, ofschoon ook ik er eenmaal bovenop kom. Maar gij als ge seffens van wal steekt haalt me nog in, want het figuur is gecompliceerd, gaat langzamer.”

Vincent heeft zijn model, de prostituée Sien Hoornik, in zwart krijt getekend. Hij vergelijkt de figuurtekening, inmiddels beroemd, met een buitenstudie.

“Nu heb ik twee grootere teekeningen klaar. Vooreerst ‘Sorrow’, doch in grooter formaat, het figuur alleen zonder entourage. Doch de pose is eenigszins gewijzigd, het haar hangt niet naar achteren op den rug, doch naar voren gedeeltelijk in eene vlecht. Daardoor komt het schoudergewricht, den nek en rug in ’t gezicht. En ’t figuur is met meer zorg geteekend. De andere ‘Les racines’ is eenige boomwortels in een zandgrond. Nu heb ik getracht in het landschap ’t zelfde sentiment te leggen als in ’t figuur. Het zich als ’t ware krampachtig en hartstochtelijk vastwortelen in de aarde, en het toch half losgerukt zijn door de stormen. Ik wilde zoowel in dat blanke, slanke vrouwenfiguur, als in die zwarte knorrige wortels met hun knoesten, iets uitdrukken van den strijd des levens. Of liever, omdat ik getracht heb trouw te zijn aan de natuur, welke ik voor mij had, zonder bij te philosopheeren, is er haast onwillekeurig in beide gevallen iets van dien grooten strijd in gekomen. Althans het kwam mij voor, dat er eenig sentiment in was, maar kon mij vergissen, enfin ge moet maar eens zien.”

Het landschapschilderen kan ook een middel zijn om zaken te leren die je later voor het belangrijkere werk, het figuurschilderen, nodig hebt:

“Iets wat ik me aangeschaft heb, is een sterke warme broek, en daar ik even voor ge kwaamt pas een paar stevige schoenen heb gekocht, ben ik tegen weer en wind gewapend. Tegelijk is het mijn bepaald doel om door dit landschapschilderen een paar dingen van techniek te leeren, die ik noodig gevoel te hebben voor mijn figuur. Het uitdrukken van verschillende stoffen namelijk, en den toon en de kleur. In één woord het uitdrukken van het corps – van de massa – der dingen.”

Over het materiaal waarmee je buiten het best kunt werken:

 “Houtskool is best, doch als men er veel op sjouwt gaat de frischheid er af, en om de finesse er in te houden, moet men op de plaats zelf fixeeren. Ook voor landschap zie ik, dat de teekenaars als b.v. Ruysdael, en Goyen, en Calame, Roelofs ook b.v. onder de modernen, er veel partij van trokken. Doch als iemand een goede pen uitvond om buiten mee te werken, met bijbehoorenden inktkoker, dan kwamen er misschien meer penteekeningen in de wereld.

Met houtskool, die in olie gelegen heeft, kan men fameuse dingen doen, dat heb ik van Weissenbruch gezien, de olie fixeert dan en het zwart wordt warmer en dieper. Maar beter is het ik zulks over een jaar, dan nu doe, denk ik bij mezelven, vanwege ik niet wil dat de mooiigheid door mijn materiaal, doch door mij kome.”

Van Gogh is een grove, onhandig en zelfs onaangenaam overkomende man. Maar zijn innerlijk is juist erg gevoelig. Hij stelt zich voor dat wat hij in de dagelijkse omgang niet kan uitdrukken, misschien via zijn werk te communiceren is:

Ik wil teekeningen maken, die sommige menschen treffen. Sorrow is een klein begin, misschien is zoo’n klein landschapje als de laan v. Meerdervoort, de Rijswijksche weilanden, de Scharrendrogerij ook een klein begin. Daarin is tenminste iets direkt uit mijn eigen gemoed. Hetzij in figuur, hetzij in landschap, zou ik wel willen uitdrukken niet iets sentimenteel weemoedigs, doch ernstige smart.

Enfin ik wil ’t zoo ver brengen dat men zegt van mijn werk, die man voelt diep, en die man voelt fijn. Ondanks mijn zoogenaamde grofheid, begrijpt ge, misschien juist daarom.”

De Haagse school was in 1882, toen Vincent deze brieven schreef, al overbekend. Vincent was een neef van Mauve en bij Goupil in Den Haag had hij zelf schilderijen van Haagse school-meesters verkocht; althans: men verkocht ze daar. Het stemmige grijs en de rol die kleur speelt in de sfeer van landschapschilderijen kende hij dus ongetwijfeld.

“Omtrent het zwart in de natuur zijn wij het natuurlijk geheel eens, zoover ik begrijp. Absoluut zwart komt eigenlijk niet voor. In bijna alle kleuren is het echter, even als wit, aanwezig en vormt de oneindige variatie van grijzen – onderscheiden van toon en kracht. Zoodat men in de natuur dus eigenlijk niet anders ziet, dan die tonen of krachten. De grondkleuren zijn slechts 3 – rood, geel, blauw, ‘samengestelde’ zijn oranje, groen, paars. Daarvan ontstaan door bijvoeging van zwart en wat wit, de oneindige variaties van grijzen: roodgrijs, geelgrijs, blauwgrijs, groengrijs, oranjegrijs, violetgrijs. Om te zeggen hoeveel verschillende groengrijzen er b.v. zijn is onmogelijk, het varieert in ’t oneindige. Maar de heele chemie der kleuren is niet gecompliceerder dan die eenvoudige paar gronden. En een goed begrip daarvan is meer waard dan 70 verschillende kleurtjes verf – aangezien men met de 3 hoofdkleuren en wit en zwart, meer dan 70 tonen en krachten kan maken. De kolorist is hij, die een kleurtje ziende in de natuur, heel leuk dat weet te analyseeren en b.v. te zeggen: dat groengrijs is geel met zwart en bijna geen blauw, etc. Enfin de grijzen van de natuur weet te maken op ’t palet.
Om nu echter buiten notities te nemen of om een klein krabbeltje te maken, is een sterk ontwikkeld gevoel voor den contour absoluut vereischte, evenzeer als ook voor ’t hooger opvoeren later. Dat nu krijgt men geloof ik niet vanzelf, maar primo door observatie, verder vooral door hardnekkig werken en zoeken, verder moet er bepaald studie van anatomie en perspectief bij komen. Ik heb naast mij hangen een landschapstudie van Roelofs, een penschets, maar ik kan U niet zeggen hoe expressief die eenvoudige contour is. Alles is er in.”

De schilder moet wel de juiste gevoeligheid bezzitten om in zijn landschap de emotie tot uitdrukking te brengen. Dat lukt niet altijd, soms ben je ‘stomp’:

“Ik kan volkomen overeenstemmen met wat gij zegt omtrent tijden die men soms heeft, waarin men stomp schijnt voor de dingen van de natuur, of waarin de natuur niet meer tot ons schijnt te spreken. Ik heb dat ook dikwijls, en het helpt mij wel eens als ik dan heel andere dingen aanpak. Ben ik stomp op landschap of lichteffekten dan grijp ik de figuren aan en omgekeerd. Soms is er niets aan te doen dan af te wachten tot het over gaat, maar menigen keer lukt het mij de ongevoeligheid weg te krijgen door verwisseling van motieven, waarop ik mijn attentie heb.”

In de onopgesmukte, niet voor het publiek bedoelde, brieven laat Vincent zien dat hij die gevoeligheid bezat en dat hij ook heel goed in staat was deze in woorden uit te drukken. Beeldende passages als de volgende vinden we bij de vleet:

“Ik heb dien ouden kanjer van een knotwilg nog geattaqueerd, en ik geloof dat dat de beste van de aquarellen geworden is. Een somber landschap – die doode boom bij een stilstaanden met kroos bedekten plas in ’t verschiet, een remise van de Rijnspoor waar spoorlijnen elkaar kruisen, zwarte berookte gebouwen, verder groene weilanden, een kolenweg, en een lucht waar de wolken jagen, grauw met een enkel schitterend wit randje, en een diepte van blauw daar waar de wolken zich scheuren even. Enfin ik heb het willen maken zóó, als dunkt mij het baanwachtertje met zijn kiel en rood vlaggetje ’t zien en voelen moet als hij denkt: Wat is ’t triestig vandaag.”