holland op zijn mooist

Schilderen in de open lucht

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/schilderen-in-de-open-lucht-2013/

Het plein air schilderen is terug van weg geweest, getuige de vele tentoonstellingen en schilderfestivals in de traditionele schilderplaatsen Noordwijk, Katwijk en ook in Domburg. Schilder-schrijver Ineke Mahieu over deze revival.

Lange tijd werden landschapschilderijen in ons land vooral in het atelier gemaakt. Tot halverwege de negentiende eeuw, toen praktische ontwikkelingen het plein air-schilderen makkelijker maakten.

Rond 1840 kwam er kant en klare olieverf op de markt, verkrijgbaar in tubes. De kunstschilder hoefde zijn zelfgeprepareerde verf niet langer te vervoeren in lastig af te sluiten verfblaasjes. Bovendien werden er lichte, opklapbare veldezels ontwikkeld. Ondanks het vaak natte, winderige Hollandse klimaat, werd het een stuk eenvoudiger om er met schildersmateriaal op uit te trekken. Hoewel het natuurlijk toch een flink gesjouw bleef: een schilderskist met verf en penselen, een veldkrukje, een veldezel, een parasol. En natuurlijk het schilderdoek.

De plein air schilders kozen er vaak voor om hun werk te maken op een paneeltje of een stuk schilderkarton, niet te groot zodat het aan de binnenkant van de deksel van hun schilderkist kon worden geprikt. Op die manier hadden ze geen ezel nodig en werkten ze met hun schilderskist op schoot. Zo’n klein paneeltje was bovendien makkelijker mee terug te nemen naar het atelier. Hoewel er plein air-schilders waren die in de natuur volledige schilderijen maakten, schilderden de meeste kunstenaars buiten alleen ruwe olieverfschetsen. Later werden die studies in het atelier op doek uitgewerkt. De oorspronkelijke schetsen waren niet bedoeld voor de verkoop.

 

Overigens dacht schilder en kunstverzamelaar Hendrik Willem Mesdag daar anders over. Die was juist erg gecharmeerd van zulke ruwe in de natuur gemaakte schetsen en hij kocht ze dan ook graag. De opkomst van het plein air-schilderen in de negentiende eeuw paste in het impressionisme, dat meestal wordt gezien als een reactie op het romantische genre aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. In de Romantiek gold de subjectieve ervaring als uitgangspunt. De impressionistische kunstenaars daarentegen wilden juist het échte leven schilderen. De plein air-schilders waren impressionisten pur sang. Ze lieten zich inspireren door de natuur en hadden de behoefte om het licht, de kleur, het moment vast te leggen. Dat vroeg om een losse, snelle toets zonder al te veel aandacht voor de details, want buiten was snel werken noodzaak, daar wisselt het lichtspel immers voortdurend.

 

Plein air-schilders trokken onder andere naar de omgeving van Den Haag, waar de natuur nog ongerept was, waar de zee en de duinen dichtbij waren en het licht karakteristiek. Bovendien hadden de schilders daar het comfort van de stad dichtbij. Regelmatig trokken de kunstenaars er samen op uit om in de natuur te schilderen. Alhoewel het ook gebeurde dat men de mooiste schilderplekjes voor elkaar geheim hield. Ook andere kustplaatsen waren aantrekkelijk voor de Hollandse buitenschilders. In dorpen als Domburg, Bergen en Katwijk ontstonden ware schilderkolonies.

Maar de belangstelling voor het impressionisme maakte in de twintigste eeuw gaandeweg plaats voor het modernisme. Er ontstond zelfs een afkeer voor het figuratieve. Kunstenaars gingen abstract werken en experimenteren. Pas na jaren van kubisme, expressionisme, dadaïsme, magisch realisme, surrealisme en experimentele stromingen, kwam er eind vorige eeuw opnieuw belangstelling voor het figuratieve. Er was in de jaren negentig zelfs een stroming ‘nieuwe wilden’ die riepen dat men weer naar de werkelijkheid moest gaan schilderen. De huidige plein air-schilders hebben vaak dezelfde opvattingen en manier van werken als hun negentiende-eeuwse collega’s. Ze schilderen datgene waarmee ze zich sterk verbonden voelen: het landschap. Ze geven niets om uitvoerige manifesten of theorieën; hun schilderijen spreken voor zichzelf. Toch vormt het werk van de nieuwe generatie plein air-schilders een eigen tak binnen het impressionisme; de invloeden van de afgelopen decennia zijn er onmiskenbaar in terug te vinden. De opleving van de belangstelling voor plein air geschilderd werk heeft geleid tot allerlei initiatieven. Zo worden er in diverse voormalige kunstenaarskolonies jaarlijks schildersfestivals georganiseerd. Dan gaan de plein air-schilders onder grote belangstelling van kunstliefhebbers en toeristen aan de slag. Hun vers geschilderde werken worden tijdens de festivals geëxposeerd of geveild, opnieuw vaak onder grote belangstelling.

 

En ook naar de kunstenaar zelf is het publiek nieuwsgierig. Wat is zijn of haar verhaal? Hoe gaat de plein air schilder te werk? Hoe mooier het verhaal, des te beter lijkt het voor de verkoop. Een plein air-schilder als Roos Schuring heeft dat goed begrepen. Zij maakt scheutig gebruik van de mogelijkheden van de sociale media. Ze plaatst foto’s en filmpjes van zichzelf op internet; in weer en wind schilderend, op een vanwege vrieskou, storm of regen verlaten strand, liefst staand in de branding, haar ezel verzwaard met zandzakken, hoge rubberlaarzen aan, haar schildersjas grijs van de verf, een morsig shaggie tussen haar lippen. Als dat geen bewondering, of op zijn minst nieuwsgierigheid oogst naar haar werk.

Waar komt die opleving voor het plein air geschilderde werk vandaan? Die belangstelling wordt toch niet alleen aangewakkerd door het verhaal van de ‘weer-en-wind-kunstenaar’? Zou het iets te maken kunnen hebben met de groeiende behoefte aan een nationaal besef? Want dat die behoefte er is, valt nauwelijks te weerleggen. Zo is er tegenwoordig bijvoorbeeld een groot enthousiasme voor ons koningshuis. Een tv-format met de titel ‘Ik hou van Holland’ zou het in de vorige eeuw niet hebben gehaald. Het was de tijd van het individualisme, van experimenteren, op zoek naar het onbekende. Net zoals in de kunst. En op elke maatschappelijk beweging volgt altijd weer een tegenreactie. Zo beschouwd is de opleving van het plein air geschilderde landschapschilderij niet vreemd.

Een ongecompliceerd schilderij waarvan de toeschouwer denkt: ‘Hé, dat herken ik, dat land is vertrouwd, daar ben ik opgegroeid, het ons land’. Het is onze zee, het zijn onze duinen, onze golfbrekers, onze wadden, polders, molens, akkers, dijken… En er heeft een schilder met zijn kop in de wind en zijn voeten in de klei gestaan om dat vertrouwde land vast te leggen. (IM, St2000Mag2013)