holland op zijn mooist

Samuel van Hoogstraten

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/samuel-van-hoogstraten/

Schermafbeelding 2015-10-04 om 20.53.23Op de afbeelding zien we de schilder en graficus Samuel van Hoogstraten, die zichzelf portretteert als kunstenaar, aan het werk, kijkend en schattend. Zijn aandacht is gericht op het onderwerp van de tekening, niet op zijn papier.

Van Hoogstraaten is ook de auteur van Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt, van 1678. In dat standaardwerk geeft hij aanwijzingen over hoe men kunstenaar kan worden, waaraan men zich te houden heeft, welke onderwerpen men kan, en niet kan kiezen, kortom: hij geeft een compleet handboek voor de schilder, met daarin allerlei technische, artistieke en morele aanwijzingen.

Van Hoogstraaten behandelt ook de landschapsschilderkunst, al heeft dat in zijn boek maar een ondergeschikte plek. Hij is een kind van zijn tijd en hij ziet het landschap als een genre, dat zich maar losjes hoeft te verhouden tot de waargenomen werkelijkheid. In de zeventiende eeuw kon men nog niet in de open lucht schilderen, bij gebrek aan kant en klare verf. Maar de schilders trokken er wel degelijk op uit om te tekenen, zoals de overgeleverde schetsboekjes bewijzen. De schetsen zijn geheugensteuntjes, maar je fantasie is ook belangrijk. Een landschap mag je verzinnen, vindt Van Hoogstraten, maar je moet het niet te gek maken. De goede landschappen

Jan van Goyen

Jan van Goyen

[…] moeten eygen en natuerlijk zijn. Want het waer belachelijk, dat men het heuvelig Britanje met Zwitserse klippen bestuwde, of dat men het bergachtig, en met Spelonken uitgeholde Palestine met Hollandsche weyden plaveyde. Dit zijn leugens in de konst, min noch meer als van de twee Babilonische boeven, waer van den eenen zeyde, dat hy Suzanna onder eenen Lindeboom, en den anderen, onder eenen Eykenboom in ontucht gezien had. De by voegsels moeten eygen zijn, of gy wort daedelijk als een valsche getuige gedoemt.

En als je iets verzint, dan moet je zorgen dat de details kloppen:

Leer ook de boomen wel onderscheyden; want eenderley slag van bladeren past aen alle boomen niet. Muzziaen hielt den Kastanjeboom voor den schilderachtichsten, andere mogen d’eik voor andre stellen. De Populier behaeg Herkules, de Wijnstok Bacchus, de Mirt Venus, de Laurier Febus, maer Fillis bemint den Hazelaer. Vorder moetmen zien, waermen de boomen te pas brengt: want d’Esseboom spant de kroon in het bosch, zegt Virgiel, de Pijnboom in den tuin, de Popelier aen den stroom, en den Denneboom op hooge bergen. Het past den Lantschapschilder den eygen aert der boomen te kennen.

Om bomen te kunnen schilderen moet je je dus goed verdiepen in de boomkunde. Want sommige bomen groeien vanzelf, zoals eiken, en populieren, maar andere bomen krijgen hun bekende vormen pas als ze door mensen zo gesnoeid worden. Je moet zulke bomen niet abusievelijk in een wildernis schilderen, want dan zet je jezelf voor schut. Ook het op de juiste manier stofferen met figuurtjes is belangrijk. ze kunnen immers het landschap karakteriseren. Van Hoogstraten stelt ons Ludius ten voorbeeld, die muren beschilderde in het oude Rome:

[…] deeze zijne Lantschappen stoffeerde hy met wandelaers, Visschertjes, en andere, die hun vermaek op ’t water hadden: met Jagers en Vliegers, of die in den Oegst, of in de Wijnbergen bezich waren: met geladen Wagens of Ezeltjes. Hy beelde zeer natuerlijk broekachtige en slibberige weegen uit, daer eenige vroutjes, als om de gladdicheyt wille, scheenen te vallen, en andere als op haer hoede gingen.

Maar belangrijker dan de details is het grote geheel: het perspectief:

In ’t landschap moet men voor eerst de gronden, vlaktens, velden en weyden, elk in haeren aert wel onderscheiden: en zich al vroeg gewennen de vlakte in ’t wech wijken waer te nemen.

Het waarnemen is trouwens toch zeer belangrijk, zoals we op het zelfportret zien. De schilders moeten voortdurende de landschappen in zich opnemen, ze tekenen, maar ze vooral goed bekijken en ze dan onthouden, zodat ze later, in hun ateliers, kunnen putten uit een rijk gevulde geestelijke portfolio.

 

Jan van Goyen

Jan van Goyen

Tre dan, ô Schilderjeucht! ten boschwaert in, of langs de heuvelen op, +om verre verschieten, of boomrijke gezichten af te maelen; of met pen en krijt de rijke natuer in uw tekenboek op te gaeren. Val aen, en betracht met stadich opletten u te gewennen noit vergeefs op te zien; maer, zoo veel de tijdt, of uw gereetschap, toelaet, alles als op te schrijven, en in uwe gedachten den aert der dingen te prenten, om daer na uit de geest, wanneer u ’t natuerlijk voorbeelt ontbreekt, u met een voorraet, in uwe geheugnis opgedaen, te behelpen. Zie toe, indien gy met een losse zwier de spartelachtige meijen der boomen nabootst, dat gy elk in haer eygen aert uitbeelt; want de beezemachtige Cipres, en den kronkelenden Ey keltak gelijken elkander niet. Linden en Willigen loofverschilt te veel; zoo verschilt de stam des Kastanjebooms van des Beukelaers. Onderschey Rotssen, Grotten, Geboomten, Struiken, Stammen, Biesbossen, Bloemen, Lovers en Takken. Merk op de ruymeschaduwe, waer de dichte takken elkander prangen, en wijs zachtelijk aen, daer de heldere lucht in de boomtoppen schemert.

Jan van Ruisdael

Jan van Ruisdael

Er is niets nieuws onder de zon: het succes van het schilderij staat of valt met de compositie. Bij het landschap moet je heel goed opletten wat je op de voorgrond stelt: “Neem naukeurich acht op de klaere voorgront, met Doornen en Distelen en breede blaren bewerkt, laetze klaer en groot, vry een hoek van uw werk vullen, en beelt de verre gezichten met een zachte handt uit, die naer u toe komende, even zoo veel kenlijker dienen aengewezen, als zy tegen de achterste vergrooten.”
De wegen, beken en stromen dienen om perspectief aan de compositie te geven: “Laet het kromme wagespoor, of ter rechter of slinkerhandt, zachtelijk rijzen, hier week en slikkerich, en ginder ten heuvel op, of in mulle zanden, of barre heyden, vlak leggen. Dat de wijers, daer de Waerden en witte Zwaenen zwemmen, waterpas, en de beekjes ten dale glijen, uw gebouwen vast staen, en de boere gehuchten vry koddich en bouvallich op zy leunen.”

De seizoenen beïnvloeden de natuur en dat moet op de juiste manier op het schilderij tot uitdrukking komen. De schilder – die immers noodgedwongen in zijn atelier werkt en de werkelijkheid niet voor zich ziet- mag niet vergeten de grootst mogelijke consequentie in acht te nemen: “Merk op onderscheyt van weeren wind, en op de tijt des jaers, gelijk wy booven vermaent hebben; de Mey geeft dik en sportelijk geboomt: de Herfst schut de blaren af: de Kruisdooren geeft vroegh loofwerk, de Wijnstok laed vruchten; maer de Lawrier en palm en steyle pijnboom zijn ’t geheele jaer groen. Komt gy een wel geschikten tuin met sierperken en deurzichten t’ ontwerpen, plant vry Sitroen en Oranjeboomen, en Granaetappels aen d’afschutsels, ley de Pers en Abrikoos tegens de Noorderwal, beklee de Prieelen met Kornoeljen, en laet ‘er Neglentier en Mirte deurslingeren.”

Dat wil niet zeggen dat er geen zaken verzonnen mogen worden, alleen moeten niet per se kloppen, maar ze moeten kunnen kloppen: “De plantasiën moeten ordentelijk, maer de wildernissen wild zijn. Plant op uwe gronden in’t wout vry Distelen, Dokkeblaen, en allerley kruiden. Laet de klaere beeken met keyen, en de mosachtige poelen en slooten met Endekroost, Kannebladeren, en Biezen versiert zijn. Laet haer al krinkelende de dalen zoeken, en zich eyndelijk in een grooter plas verliezen.”