holland op zijn mooist

Jacob Kuiper

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/jacob-kuiper/

Schermafbeelding 2015-10-04 om 11.18.28Jacob Kuijper, schilder te Varik

“We zitten in Varik. Dat is een plaatsje in de Betuwe aan de Waal, tussen Zaltbommel en Tiel, en we zitten hier in een atelier dat ik sinds een jaar of twintig gebruik om te werken en dat is rondom met glas omgeven. Het heeft een fantastische hoeveelheid licht zodat het bijna buiten is waar ik schilder, in het buitenlicht.”

Aan het woord is de schilder Jacob Kuijper. Het is 2004, juni, de radio-uitzending van VPRO’s onvolprezen De Avonden. Jacob Kuijper is inmiddels (hoog)bejaard en kan terugblikken op een lange carrière als succesvol kunstschilder, maar ook als een zeer bekwaam docent aan de Rijksacademie te Amsterdam.
Maar voorlopig blikt hij niet terug, maar kijkt naar buiten:

“Zoals ik nu zit en ik kijk door het raam over de tuin, de achtertuin, eigenlijk een oud schoolplein uit 1910, en ik kijk verder over de weilanden naar achteren – dat heet daar nota bene ook nog de Achterweg – en daar zie ik een gigantisch stuk hemel, omkransd zou je kunnen zeggen door gebladerte, van dat kleine bladachtige spelende spul. En dan het moment, het is nu mei.
En die tuin, die verwilderde tuin, die volledig bloeit met fluitekruid en vergeetmijnnietjes,
… dat is een schitterend zomerachtig tafereel wat je ziet.”

Vroeger was Kuijper een stadsmens. Zijn opleiding genoot hij aan de Haagse Academie. Maar er heerste daar een crisis, in het interbellum, die verwarde tijd tussen de twee wereldoorlogen. Moest je nu moderne kunst maken, of gewoon het vak leren aan de hand van gipsmodellen? De leraren, vertelde Kuijper later, zaten verstrikt in de nieuwe doctrines, overgenomen onder andere uit het Bauhaus. Vrije schilderkunst, dat moest je zelf maar leren. Net als kijken, zien, begrijpen en tekenen. Kuijpers in 2004:
“Nu is het zo dat ik over het algemeen werk naar tekeningen die ik maak terwijl ik wandel langs de Waal, op de dijk, de boomgaarden, het dorp. Ik schilder dus altijd binnen. Het belangrijkste motief is de mens, hoewel je zou zeggen dat ik landschapschilder ben. Maar dat is maar schijn, want ik probeer de sfeer waarin we met zijn allen leven, de kleur daarvan, het licht, de lucht, de ruimte weer te geven en ik probeer het zo te doen dat het altijd te maken heeft met de mens. Dus al is het nog zo summier, soms komt er hier en daar een mens in voor, soms komt er helemaal geen mens in voor, alleen maar kleine bootjes, of een graafmachientje, dergelijke dingen, die dus wijzen op het verblijf van de mens in onze prachtige atmosfeer. Die atmosfeer die ik vanuit mijn atelier door dit raam zie.” 

Een mensenman, dat was Kuijper zonder twijfel. Na de oorlog huurt hij een atelier aan de Amsterdamse walletjes. Hij volgt weer lessen aan de academie, ontmoet er zijn vrouw, Lies Sluijters, inderdaad de dochter van de dan al beroemde vader. Na de bevrijding werkt hij op een zolder met de nog lang niet beroemde schilder Karel Appel, daarna deelt hij werkruimte met de al even onbekende Constant Nieuwenhuys. Maar Cobra is niet de richting die deze schilder, die in zijn hart een buitenman is, wil inslaan. Zijn hart neigt naar de natuur:
“Nu is het zo dat dit raam voor mij buitengewoon belangrijk is, omdat alles wat ik teken, ik zó teken dat ik het terug kan lezen als de kleur en de sfeer op het moment dat ik getekend heb. Nu zijn veel van die tekeningen blijven liggen, en dan, als ik ‘s morgens hier kom en ik kijk door mijn ramen en ik zie de soort dag die er is, en die dag kan iets te maken hebben met een bepaalde tekening die ik, een week geleden, een maand, zelfs een jaar geleden heb gemaakt, en dan kan het zijn dat ik die oude tekening begin te schilderen, en als ik dat dan aanpak, dan hou ik net zo lang vol tot ik er iets bevredigends van gemaakt heb.” 

Kuijper wordt docent aan de Academie, vrij schilderen. Hij trekt met zijn studenten vaak de natuur in, om ze te leren kijken. Na zijn pensionering vestigt hij zich definitief te Varik, gelegen aan de Waal bij Zaltbommel. Daar schildert hij steeds opnieuw de Waal, de atmosfeer, het licht:

” … en als ik dat dan aanpak, dan hou ik net zo lang vol tot ik er iets bevredigends van gemaakt heb.
Ik kan niet zeggen dat me dat altijd lukt; het lukt meestal eigenlijk niet… Het bewijs daarvoor is wel dat ik steeds maar doorga. Terwijl ik nu al vierentachtig ben, en dat is dus wel erg lang.
Kortom: er komt geen eind aan, totdat – eh – Magere Hein komt. En dan zal het wel stoppen.
Neem ik aan.”

Bron: VPRO, de avonden 4 juni 2004: Jacob Kuiper, schilder in Varik.