holland op zijn mooist

Het weer in de schilderkunst

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/het-weer-in-de-schilderkunst/

De kunsthistoricus en John Walsh *) riep een interessante vraag op over de luchten in zeventiende-eeuwse schilderijen. De vraag was eenvoudig: waren deze luchten, waar de Hollandse landschapschilders internationale bekendheid mee verwierven, naar het leven gemodelleerd?

Eén sleutel voor het antwoord ligt in de variëteit die de schilders in de weersomstandigheden wisten aan te brengen.
De Hollanders waren de eerste kunstenaars die een groot aantal verschillende weerscondities op het doek brachten, maar lang niet alle

Harm Kamerlingh Onnes

Harm Kamerlingh Onnes

mogelijke. Eigenlijk kom je maar een beperkt aantal weerstypen tegen op de schilderijen. Ze toonden goed weer of slecht weer, maar zelden wat daar tussen zit. Af en toe zien we een storm, en dan nog alleen bij een speciaal type zeegezicht waarin boten dreigen te vergaan. Drama dus van menselijke aard, veroorzaakt door de krachten van de natuur. Indien er stormen boven land voorkomen gaat het meestal om een storm die er nog niet is, maar dreigt aan te komen, of die juist is overgetrokken.
Ook in de winterlandschappen zien we een rustig beeld. De geneugten van de strenge winter, het schaatsen en de ijspret, worden in beeld gebracht, maar zelden zien we de problemen die uit strenge vorst voortkomen.

Dirk Smorenberg, Loosdrecht

Dirk Smorenberg, Loosdrecht

 

Het schilderweer heeft dus niet zo veel te maken met de gemiddelde werkelijkheid. Meestal is het bewolkt in Nederland, regenachtig, miezerig, of mistig. Maar dat zien we op schilderijen uit de zeventiende eeuw niet terug. Ook zien we trouwens nagenoeg nooit een lucht zonder wolken, terwijl die wel in de zomer vaak genoeg voorkomen.
Walsh vindt bij Karel van Mander – de auteur van Het Schildersboeck – de raadgeving aan jonge schilders om toch vooral ook de strak blauwe lucht te schilderen, maar treft er in de praktjk geen voorbeelden van aan.

Wat vinden we wel? Grote spectaculaire cumuluswolken die in de werkelijkheid uiterst zelden voorkomen. Ze worden door de schilders graag, vanwege hun compositorische bijdrage aan het geheel, gebruikt.

De schilders van de romantiek maakten hun schilderijen evenmin buiten, maar gebruikten hun verbeeldingskracht om de dramatische kracht van de natuur te laten zien. Spectaculaire diepten, hoge bergketens, enorme luchten met dreigende onweerswolken, die de nietige figuurtjes in het schilderij reduceerden tot speeltuig van het lot. De natuur was groter dan de mens. En het weer was equivalent met de gemoedsstemming van de natuur. Ontzag sprak er uit. Dat is geheel verdwenen, ondanks het feit dat wel eens beweerd wordt dat de romantiek eigenlijk nooit opgehouden heeft te bestaan. We zien nu controle van de schilder over zijn materie en daarom een veel vrijere benadering, waarbij sinds het impressionisme (de Haagse School) het niet langer nodig is het illusionistische te benadrukken.

Hoe doen de schilders dat nu?
Geheel anders. Een inventarisatie leert dat de hedendaagse plein air schilders weliswaar een voorkeur hebben voor mooi weer – niets menselijks is hun vreemd – maar dat ze wel degelijk allerlei weersomstandigheden in hun werken opnemen.
De verklaring is misschien simpel: heden ten dage werken schilders in de natuur, althans ze doen dat vaak. Hun materiaal stelt ze daartoe, binnen grenzen van formaat, in staat. Daarom kunnen ze veel beter naar de werkelijkheid schilderen. Toch zullen ze niet geneigd zijn in de aller barste omstandigheden het buitenschilderen te beoefenen. Maar de grootste extremen worden door de huidige schilders net zo vermeden als hun voorgangers in de Gouden Eeuw.

Schermafbeelding 2015-11-11 om 15.23.24

Dirk Wiggers, 1919, 51 x 98 cm

De toeschouwer mag tegenwoordig zien dat er geschilderd wordt. Dat er virtuoos geschilderd wordt: graag zelfs. De huidige toeschouwer mag in het beeld ook het weertype herkennen dat hij zelf in het landschap ook meemaakt. Maar toch kan het al dan niet plein air kunnen werken de realiteitszin van de weersomstandigheden niet geheel verklaren. Van de zeventiende-eeuwse schilders zijn genoeg schetsboekjes bewaard gebleven. Ook daarop zien we bijna geen bijzondere weersomstandigheden. Het weergeven van realiteit werd blijkbaar niet bijzonder belangrijk gevonden, maar de realiteitszin wel. Het moest er echt uitzien, maar hoefde dat niet te zijn.

Nu is het andersom: het mag er best als een schilderij uitzien, maar moet wel realistisch zijn.

*) John Walsh: Skys and reality in Dutch landscape. In: Art in history, history in art. Chicago 1991.