holland op zijn mooist

Het landschap; beschouwing

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/het-landschap-beschouwing/

HET LANDSCHAP

door: Han Snijders

atmosfeer

”De bergen van Holland, dat zijn de wolken” zo herinnerde een Mexicaan, die langdurig met zijn gezin in Nederland had verbleven, zich dit land in een terugblik met zijn dochter die hier in die tijd was opgegroeid. De dochter wist waarover hij het had: “Holland is meer lucht dan land. Het zijn prachtige bergen, doorschijnend van damp”.
Dat Nederland “meer lucht is dan land” gaat opvallen als men de weergaven van dit landschap bekijkt, door schilders en fotografen.

Jan Toorop: Veere

Jan Toorop: Veere

Voor wie om zich heen kijkt in het vlakke land, beslaat het gezichtsveld doorgaans maar voor een beperkt deel het landschap. Men is zich hier maar zelden van bewust. Het landschap eist de aandacht voor zich op, maar luchten, al of niet bewolkt, overheersen doorgaans het feitelijke gezichtsveld. Luchten domineren een land dat op de zee veroverd is, en zich nagenoeg op dezelfde hoogte bevindt. In teksten over het Nederlandse landschap zoekt men vrijwel tevergeefs naar de invloed van de luchten. Auteurs leggen zich toe op de basis van het gezichtsveld – de vaste fysieke ondergrond – dat we landschap noemen.
Op het grensvlak van land en zee realiseerde de Amerikaanse kunstenaar James Turrell – die zich veel met de verschijnselen van het licht en de waarneming bezig houdt – in Kijkduin zijn werk Het Hemelse Gewelf. In een duinpan wordt men uitgenodigd de lucht met geduld in ogenschouw te nemen, zodanig dat men niet door het landschap en andere invloeden wordt afgeleid. De filmdocumentaire “Hollands licht” illustreert veel verschillende meningen over het onderwerp lichtval. Veel eensgezindheid is er niet in te bespeuren. Wel zeker is dat de lichtval mede door wolken wordt beïnvloed. Als ze er zijn reguleren de wolken het licht door het te blokkeren, te reflecteren, te verstrooien of het vrij door te laten. Het landschap lijkt hierdoor steeds weer anders.
Dit had de schilder J.H. Weissenbruch al eerder gebracht tot de uitspraak: ‘licht en lucht, dat zijn de tovenaars”. Een analist in de film maakt een waardevolle constatering voor de waarneming van landschappen en de afbeeldingen daarvan in schilderijen of foto’s: De contrastwerking tussen verlichte en minder verlichte gedeelten bewerkstelligt bij de beschouwer een meer levendige indruk dan bij een egale verlichting het geval zou zijn.
Zeker is, dat het licht van grote invloed is op de beleving van landschappen. Overdag kunnen de luchten bij de bezoekers van het landschap indirect hun “stemming” beïnvloeden. Het is opmerkelijk dat op barometers, die de weersgesteldheden weergeven, bijschriften voorkomen die evengoed te lezen zijn als gemoedstoestanden: zonnig, veranderlijk of bedrukt. In de nachtelijke uren kan een onbewolkte lucht ons, in onze beleving, bijna één maken met het uitspansel. Het zijn de uren waarop men zich over kan geven aan beschouwingen over de maan, de sterren, het heelal als geheel. Men kan zich in het donkere landschap minder behaaglijk voelen of zelfs bevreesd. Die stemming kan hemelsbreed afwijken met die van overdag, wanneer het licht “zowel de dingen als ook de mensen tot leven brengt”. Als overdag op winterse dagen het landschap de warmte van de zon ontbeert kan de gemoedsgesteldheid navenant onbehaaglijk zijn.
Boven de vaste bodem is het landschap in dat jaargetijde kaal. In het voorjaar intensiveert het licht tot warmte, het is een belangrijke voorwaarde voor nieuw leven. De ragdunne blaadjes, grassen en twijgjes dringen zich tussen de lucht ( oftewel de atmosfeer ). Bij de waarnemer in het landschap wordt bij de aanblik van bomen en andere vegetatie de schijn van volheid en volume geboden. In werkelijkheid staat de ijle stoffelijkheid van het gebladerte in geen verhouding tot de atmosfeer, die volop in de volumes doordringt. Vooral in de barre jaargetijden, als het gebladerte het moet afleggen, toont de lucht zijn dominantie.

vaste grond

In de tijd van onze grootouders, tot omtrent halverwege de twintigste eeuw, was de economische betekenis van het landschap onweerlegbaar. Bovendien wordt het algemeen omschreven als het rijkste landschap aan flora en fauna wat Nederland heeft gekend. Toch werd dat in die tijd niet ten volle ingezien, en is die belevingskwaliteit pas later in nostalgische betogen op de voorgrond geplaatst. Het landschap diende aanvankelijk tot voorziening van voedsel voor de boer, later ook voor anderen: de stad of de export. Tot dan werd er zwaar werk verricht op het land met ontberingen met als een van de voorbeelden de zonnesteek bij een landarbeider uit een roman van Stijn Streuvels. Uit die noodzaak tot overleven zijn eeuwen eerder de drassige, woeste gronden langs de rivieren in westelijk Nederland ontgonnen. Dat kon alleen slagen als men de natuur met zijn steeds opdringende water kon bedwingen. Belangrijke voorwaarden voor de groei van gewassen voor de voedselvoorziening waren voorhanden: aangeslibde vruchtbare grond in combinatie met een betrekkelijk gunstig klimaat. De aanleg van dijken en afwateringen vergde veel samenwerking in aanleg en onderhoud. Het cultuurlandschap werd geboren. In typebeschrijvingen wordt dit een rivierenlandschap genoemd, vooral aan dit type landschap wordt in dit stuk aandacht besteed. Het bestaan in het laagland ging gepaard met rampen en tegenslagen. Het land moest bewerkt worden in weerwil van vaak modderige of harde grond. Modder vanwege terugkerende regens en overstromingen, harde en gebarsten klei vanwege verzengende hittes in de zomertijd. De mensen die kozen voor vaste bewoning leden onder angst en vrezen; men wist nooit wat komen ging. Het vasthouden aan de godsdienst bood troost en een kader voor zingeving, in het dagelijkse leven vastgelegd door riten en gebruiken welke de dag, de week en het jaar besloegen. “Het leven werd gekenmerkt door de eeuwige terugkeer van hetzelfde. Het natuurlijke ritme van de seizoenen, de tijden van de dag, de symbiose tussen mens en aarde binnen een steeds identieke horizon”. Mensen leefden op hun land bij de gewassen en de dieren, werkten met lichaamskracht, met de kerktoren steeds in het zicht. Het landschap was door mensen tot stand gebracht in een verstandelijke ordening van rechte lijnen en strakke verkavelingen, door sloten gemarkeerd, overeenkomend met het overzicht van de zichtlijn. Het was de aanvulling op een oorspronkelijke natuur die veeleer organische, slingerende en willekeurige vormen kende. In een cultuurlandschap is het onderscheid tussen de kunstmatige cultuur en de oorspronkelijke natuur niet altijd duidelijk. Immers, ook menselijke ingrepen kwamen tot stand door gebruik te maken van natuurlijke bestanddelen als water, aarde en groene vegetatie. Ook de inbreng van dieren moet zeker worden genoemd. De nieuwe ruimtelijke orde van het landschap bestond uit dijken, afwateringen, wegen en percelen, weiden begraasd door dieren, bomenrijen en bosschages hoog en laag, geuren en kleuren in veel schakeringen. De tussenpozen tussen de veranderingen werden korter door de versnelde bevolkingstoename, massaproduktie, verstedelijking, toenemende mobiliteit met alle ruimtelijke gevolgen: kanalen, spoorlijnen, bruggen, wegen, steenfabrieken, watertorens, gashouders en electriciteitsmasten. Door toegenomen economische verwevenheden ging een min of meer zelfverzorgend bestaan op het platteland verloren. Het landschap werd een gecontroleerde en veilige verblijfplaats voor mensen. De korenschoven op de akkers en de poldermolens aan de weteringen bevorderden toen nog de sculpturale kwaliteiten van het landschap. De molens maakten de kunstmatige instandhouding van de polder zichtbaar. Dat gold niet meer voor de latere motorgemalen; deze waren vrijwel onvindbaar geworden. De opeenvolgende ontwikkelingen verliepen onevenredig snel als men het vergelijkt met de nauwelijks merkbare veranderingen in de voorafgaande tijden. Halverwege de twintigste eeuw werd toegekomen aan de realiteit van de ruilverkavelingen. Het land werd uitgevlakt, alweer strakker en grootschaliger verkaveld met terugdringing van biodiversiteit, moerasjes en beschutting voor dieren. Het productielandschap ten dienste van de gemechaniseerde landbouw kreeg de huidige vorm (terzijde: de moderne gemechaniseerde landbouw stoelt geheel op de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen). Oudere karakteristieken werden overgenomen door die van zendmasten, windturbines en de overal terugkerende vestigingen van hamburgerketens.
Een verdere schaalvergroting, resulterend in een voor velen als storend ervaren ruimtelijke wanordelijkheid, door anderen als saai door gebrek aan betekenisvolle prikkels. Het kon leiden tot landschappen die juist daarom overal overeenkomstig werden, met eigenschappen van universele herkenbaarheid. De specifieke karaktertrekken van de geografische ligging worden daarin gemist. Met enkele uitzonderingen – bijna in de vorm van reservaten – kan het streekeigene moeilijk voortbestaan. De neerslag van menselijke activiteiten – van vroeger en van vandaag – is in het uiterlijk van het landschap hoe dan ook aanwezig. Aloude structuren bleven herkenbaar, hier fragmentarisch, daar wat duidelijker. Benamingen van nederzettingen, veldnamen en straatnamen bevatten veelal aanwijzingen over het vroegere gebruik van het landschap. De interesse in bodemgeschiedenis, “voorouderlijke lagen” en archeologie, die lang werden verwaarloosd, nam in de laatste decennia toe. De inheemse natuur raakte vermengd met ingevoerde gewas- en diersoorten. Dit zal in de toekomst grotere vormen aan gaan nemen als een van de gevolgen van klimaatveranderingen. Bovendien wordt natuur, flora en fauna, tegenwoordig door ecologische verbindingszones over grotere afstanden met elkaar in contact gebracht. De economische betekenis van het landschap was van agrarische oorsprong maar wordt nu beconcurreerd door recreatieve funkties. Sommige boerderijen kregen er een maatschappelijke taak bij en werden zorgboerderij. Tegen de verwaarlozing van de primaire beschermingsfunktie van de dijken zijn al waarschuwingen uitgegaan.

Co Breman: De IJssel (kunsthandel Dolf van Ommen)

Co Breman: De IJssel
(kunsthandel Dolf van Ommen)

Een nog niet genoemd aspekt in de landschapsbeleving is het standpunt van de beschouwer. In de polder rijkt zijn oog met lange zichtlijnen tot aan de horizon. Het zicht biedt de klaarheid van de schilderijen van Mondriaan. In de bossen – ook in de slingerpaden van de kunstmatige Engelse landschapsstijl – zijn de zichtlijnen kort. In de bergen ontstaat al snel verwarring over het bepalen van de horizon. Men maakt het daar mee dat het landschap in de wolken verdwijnt. De landschappen van bossen en bergen vragen een wat andere beschrijving dan het rivierenlandschap dat in deze tekst als voorbeeld is opgevoerd. De voortgaande verstedelijking beïnvloedt het landschap van het platteland. Anderzijds worden grootstedelijke en industriële gebieden tegenwoordig ook wel in termen van “landschappen” omschreven. De karakteristieken van recreatiegebieden, parken en tuinen hebben op een kleinere schaal veel verwantschap met die van landschappen. Voor de beleving en reflektie op de buitenruimte kan omgevingskunst en landschapskunst – zoals land-art – van betekenis zijn.
Terloops moet het land-art projekt De Wassende Maan in de Biesbosch worden vermeld. Kunstenaar Paul de Kort realiseerde een waterstaatkundig labyrint waarin zowel het water van de Merwede als ook de bezoeker kan verdwalen.

Door onze voorouders is Nederland op de bedreigende zee gewonnen, zoals anderen de landschappen van Noord-Amerika met de eindeloze prairies en Zwitserland met de ondoordringbare bergen cultiveerden. Met technische hulpmiddelen als molens, gemalen, locomotieven en mechanische breekhamers zijn deze wildernissen goeddeels onder controle gebracht. Voor het “lezen” van een landschap kan enige kennis van achtergronden behulpzaam zijn, al kan teveel daarvan de onbekommerde beleving ook wel in de weg staan…

wandelen

Mijn moeder begeleidde haar vader op wandelingen tot herstel van zijn ziekte langs de akkers en velden door de buitengebieden van haar geboortedorp. Het waren wandelingen die een levenslange indruk op haar zouden maken. Mijn vader was een wandelaar. Hij wandelde om zichzelf in de open ruimte van het polderland terug te vinden na weer een dag tussen de kantoormuren, of om zich even terug te trekken uit het gezinsleven. In plaats van zich te richten op een jaarlijkse uitheemse vakantie hield hij al wandelend vrijwel dagelijks voeling met het wel en wee van zijn directe leefomgeving. Mijn vader en moeder behoorden niet tot het type natuurkenner maar konden er wel van genieten. Veeleer proefden zij aan wat Jac. P. Thijsse noemde “het onbekommerde wandelen”, los van verdere bedoelingen, soms rakend aan een meer of minder ontspannen bezinning. Het waren betekenisvolle belevingen van het moment geweest, waarvan niet veel is overgeleverd.

Willem Witsen: schets (Rijksmuseum)

Willem Witsen: schets (Rijksmuseum)

In enkele gevallen kan men putten uit gepubliceerde ervaringen van wandelaars en zodoende lezen wat hen daarbij bezighield. Uit de doorleefd beschreven wandelingen van van Lennep of die van Craandijk – of door de spontane schetsen van Schelfhout – krijgt menndaarenboven een goed beeld van het rustieke Nederlandse landschap van vóór de verstedelijking en de geïntensiveerde landbouw. In Frankrijk noteerde de denker J.J. Rousseau zijn ten diepste beleefde ervaringen en persoonlijke gedachten in zijn “Overpeinzingen van een wandelaar”, waarbij hij zich onderweg ook bezig hield met het determineren van planten: “Die uren van eenzaamheid en beschouwing zijn de enige van de dag waarin ik, zonder afgeleid of gehinderd te worden, geheel mijzelf en van mijzelf ben en waarin ik werkelijk kan zeggen dat ik ben wat de natuur met mij heeft voorgehad”.
Ook Jac. P.Thijsse hield zich tijdens zijn talloze wandelingen bezig met de planten en dieren, met zijn voorliefde voor vogels. Hij wilde het Nederlandse volk uitdrukkelijk in zijn enthousiasme voor de natuur laten delen en schreef er veel over in de Verkade-albums. “Een dag zonder laagtepunten” kon de schrijver Nescio wel eens noteren als hij bijna opgewonden thuiskwam na een van zijn vele zwerftochten. Hij legde de wandelingen en fietstochten vast in zijn Natuurdagboek. Ook gesprekjes tijdens toevallige ontmoetingen onderweg werden aangehaald na een gedenkwaardige dag: “Zoo’n dag dat ik te doen heb met de menschen die dood zijn”.
Volgens de beschouwende wandelaar Ton Lemaire confronteert de wandeling in de natuur de westerse mens, die begrijpend en verklarend is ingesteld, met het onverklaarbare en betoverende. Zijn beleving is daarmee rustelozer dan die van de meditatief ingestelde oosterling voor wie het “alleen maar ondergaan” voldoende kan zijn. Misschien voldoet als uitdrukkingsmiddel voor dat “ondergaan” alleen nog de muziek. Ludwig von Beethoven trok zich graag terug in het landschap buiten Wenen, wat resulteerde in de zesde symfonie: “Elke vorm van toonschildering is in instrumentale muziek uit den boze. Ook zonder nadere toelichting moet duidelijk zijn wat ik bedoel. Wie ook maar iets van de natuur begrijpt, hoort ook zonder bijschriften wat je wilt zeggen”.

Vanaf het midden van de 19de eeuw werden ook de grote steden attractief als wandelterrein. De stedelijke flaneurs in Parijs en andere steden raakten geboeid of genoten van zoveel drukte en veelkleurigheid. Dit stuk wil zich echter beperken tot de stillere wandeling in de landschappelijke natuur.

De behoefte aan lichaamsbeweging is elementair in het menselijk bestaan. Van oudsher is een “gezonde geest in een gezond lichaam” een wijdverbreide wetenschap. In het landschap en de natuur kan men het buitenleven vieren en de zintuigen beproeven. Met “open zinnen”kan men het landschap ondergaan zoals Lemaire het veelbetekenend noemt. Men stelt zich bloot aan de frisse lucht, in het open land ontkomt men aan het bedompte en begrensde verblijf in kamers en vertrekken, waar de moderne mens zich een dag lang in moet ophouden. Ook stilte en rust zijn een schaarser goed geworden in de hedendaagse wereld. In een haast ononderbroken maalstroom wordt de mens blootgesteld aan geluid en informatie. Hieraan tijdelijk te ontkomen kan als vrijheid worden beleefd. Tussen de akkers en weilanden beleeft men het ruimtelijk bewustzijn door het ondergaan van openheid, verte en perspektieven. Een interessant verband legde de schilder Jan Andriesse door middel van het rijtje: “licht, ruimte, expansie, adem, zuurstof”, de betekenisvolle maar iets minder poëtische variant van wat de negentiende eeuwse schilder Willem Roelofs zich liet ontvallen: “Er moet in een landschap altijd een adem van natuur zijn“. Met het opdoemen van een dorp met een toren kan de verte onbegrensd lijken en de aanwezigheid van de eigen persoon relatief. De ontmoeting met dieren onderweg kan bijzondere indrukken achterlaten. Men ondervindt er de wisselingen van de weersgesteldheden en die van de seizoenen aan den lijve, waar mogelijk genietend van flora en fauna. Puttend uit eigen ervaringen kan men het meemaken dat men tijdens een vakantiewandeling in Zuid-Frankrijk de zinderende hitte – evengoed afleesbaar aan de Provençaalse landschappen van van Gogh – herbeleeft welke was bijgebleven van het onbeschutte tuingazon in de Nederlandse polder, slechts omzoomd door moeders’ bloemenborder. Geuren en kleuren van de natuur van de geboortestreek – soms gekoppeld aan indrukken van geluiden of juist aan stilte – zoals beleefd in de vroege jeugdjaren, zijn van grote betekenis voor de gevoelsmatige verankering in het verdere leven. De doelmatige wandeling van onze voorouders veranderde in onze veeleer verstedelijkte wereld. Het werd veel meer een verpozende of bezinnende wandeling in het landschap of ook wel in stads- en recreatieparken, tuinen en lusthoven, landgoederen en boomgaarden. Tot de verbeelding sprekende hoekjes – herinnerend aan het vroegere landschap – zijn nog vandaag in ons landschap te vinden, al zijn ze spaarzamer. De tegenwoordige realiteit is anders en oude patronen zullen nooit terugkeren. Immers, buiten een spoor van continuiteit is het landschap evenzeer onderhevig aan een doorgaand proces van verandering.

Schilders en fotografen leggen zich vooral toe op geselecteerde beelduitsneden. Daardoor kan het landschap mooier lijken dan het over een groter gezichtsveld is. Het is niet gemakkelijk om de romantische en geïdealiseerde landschappen uit het geheugen te wissen van een mens die zo naar droombeelden verlangt. Wil men die koesteren dan beproefd men zijn geluk met meer sukses in een land als Frankrijk. Met behulp van nieuwe ontwikkelingen en visies, verdieping van kennis maar ook eigentijdse impulsen als land-art en omgevingskunst kan men enigszins aan fixatie op vaste waarden uit het verleden ontkomen. Persoonlijk gewortelde voorkeuren kunnen blijven bestaan, maar worden verrijkt met een nieuwe ontvankelijkheid voor de beleving van het landschap. hsn / publ. jun.2015

han-snijders.nl