holland op zijn mooist

Gerard Bilders

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/gerard-bilders/

Het gekleurd grijs van Gerard Bilders

Wat was de jonggestorven Gerard Bilders een groot en veelzijdig talent. Maar hoe onzeker was hij van de toekomst die voor hem lag. Ook zijn beschermer en maecenas Jan Kneppelhout, hoeder van eer, deugd en beroepsontwikkeling van vele talentvolle jongelingen in zijn tijd, zag niet hoe zijn pupil de grondslagen legde voor het Nederlands impressionisme.

Schermafbeelding 2015-10-03 om 13.11.41Van nieuwlichterij moest Kneppelhout, nog steeds vooral bekend als auteur van zijn jeugdwerk De Studententypen, niet veel hebben. Hij was in kennis gekomen met de familie Bilders in Oosterbeek bij Arnhem, waar de gentlemendichter een landgoed bewoonde genaamd De Hemelsche Berg. Men zoekt er nu vergeefs naar, want het is aan flarden geschoten in de Tweede Wereldoorlog. Omstreeks 1860 echter was De Hemelsche Berg een ontmoetingplaats van kunstenaars. Kneppelhout was vermogend, en zijn buiten gaf daarvan blijk. Men leze wat A.C. Loffelt schreef, die er te gast was: “De Hemelsche Berg deed niet weinig denken aan de omgeving en hofhouding van een klein Duits vorstje. Het brede witte huis met hoektoren, waarvoor de uitgestrekte weide met heerlijke oude boomgroepen waar schilderachtige koeien grazen, elk voorzien van een andersluidend belletje, die tezamen een aangenaam klinkend zacht akkoord verspreiden, de brede lanen van dennen, beuken en eiken, de spiegelende waterpartijen met eenden en zwanen; de vrije wandelwegen, die zich door het park slingeren, zou menig Duits vorstje als residentie kunnen begeren zonder zijn waardigheid te kort te doen.”

Wie kwamen er in dit lustoord? Jozef Israels, Willem Maris, Warnardus Bilders, om er een paar te noemen. Landschapschilders, die zich bezig hielden met een realistische benadering van de werkelijkheid. Kneppelhout, de vermogende verzamelaar en erudiete kunstkenner, vond het tot zijn verantwoordelijkheden behoren om de jongste generatie de helpende hand te bieden. Warnardus Bilders was weliswaar een succesvolle kunstenaar, maar hij had vele kinderen, en was blij dat Kneppelhout in 1856 de gedeeltelijke zorg voor zijn zoon Gerard, toen zeventien jaar oud en ambitieus om evenals zijn vader schilder te worden, op zich te nemen.

En de jonge Gerard was niet de enige. De talentvolle violist van niet-rijke huize Jan de Graan werd eveneens door Kneppelhout gevoed en opgevoed. Beide pedagogische relaties zijn gedocumenteerd omdat Kneppelhout, hij was tenslotte literator, de correspondentie met zijn jongens zorgvuldig bewaarde, en er na hun ontijdige dood over publiceerde.

Wie tegenwoordig de brieven leest krijgt bij sommige passages een merkwaardige smaak in de mond. Er zijn, ook in Kneppelhouts tijd, roddels geweest over zijn verhouding tot de jonge knapen, maar we moeten in aanmerking nemen dat er in de Romantiek andere opvattingen bestonden over vriendschap dan nu. Kneppelhout huldigde het ideaal van de ‘opvoeding door vriendschap’. De leermeester moet zijn pupil op geestelijk-intieme wijze zien te bereiken. De taak van de leermeester is om de leerling in te leiden in de wegen van de grote wereld. Kneppelhout had niet de bedoeling om de jonge Bilders te leren schilderen, of hem in te wijden in bepaalde kunstopvattingen, hij moest leren zich te gedragen in gezelschap. Met beschaafde gewoonten, goede manieren, talenkennis kon een schilder het respect verwerven van de maatschappelijke kringen waarbinnen men zijn klanten moest vinden.

Zo schrijft Kneppelhout: “Tot nog toe hebt gij u een jongen gevoeld en als een jongen gedragen; dit moet nu uit raken; gij moet leeren handschoenen dragen en een hoed opzetten. Denk niet, dat die kleinigheden dwaasheden zijn, die er voor een artiste niet op aan komen, dat het talent alles moet goed maken. Dit is eene dwaling. Als een jong kunstenaar zich lief en gunstig presenteert, aanbeveelt door goede manieren, flink en aardig weet te praten, brengt hem dit een geducht eind in de opinie vooruit. Zet dus het zwijgen op zij, beweeg u vrij onder de menschen, wees een beetje buigzaam, niet meer zoo stug als uw karakter meebrengt, en, als mensch bij de menschen geaccueilleerd, zult gij zien, dat uw talent, zonder intrigues noodig te hebben, er wèl bij zal varen. Zie Pieneman eens! Voor de helft heeft zijn opgang in zijn omgang gelegen.”

Schermafbeelding 2015-10-03 om 13.11.30Het was nota bene dezelfde Pieneman, verreweg de beroemdste schilder van zijn dagen, die er door de modernere schilders hartelijk om uitgelachen werd dat hij gearmd met koning Willem III over de tentoonstelling wandelde, waarbij beide heren onderling uitmaakten welke schilders zich in een vorstelijke aankoop mochten verheugen. Die Pieneman, dat is geen schilder, dat is een lakei, vond men.

Ondanks de opvoeding door Kneppelhout had Bilders een eigen, en progressieve opvatting van wat de kunst beoogde. Met zijn vader had hij Brussel bezocht en was daar via tentoonstellingen in aanraking gekomen met het modernste van het modernste: de schilders van Barbizon.

“…ik heb er schilderijen gezien, waar ik niet van droomde en al datgene in vond wat mijn hart begeert en ik bijna altijd bij de hollandsche schilders mis. Troijon, Courbet, Diaz, Dupré, Robert Fleury, Breton hebben een grooten indruk op mij gemaakt. Ik ben nu dus goed Fransch, maar […], juist door goed Fransch te zijn ben ik goed Hollandsch, dewijl de groote Franschen van tegenwoordig en de groote Hollanders van voorheen veel met elkander gemeen hebben. Eenheid, rust, ernst en vooral eene onverklaarbare intimiteit met de natuur troffen mij in die schilderijen.”

De academische traditie schreef voor dat de schilder allereerst een voorbeeld moest nemen aan de klassieken. De klassieke technieken moest men onder de knie hebben voor men zou gaan denken aan vernieuwing. Ook Kneppelhout wijst zijn leerling steeds op het belang daarvan. Maar Bilders is anders geneigd. In augustus 1862 schrijft hij, vanuit Amsterdam:

“In het vraagstuk der oude en moderne meesters is nog iets, hetwelk ik mij niet regt duidelijk maak. Dat de laatsten de eersten vertolken is toch eene waarheid, dunkt mij, want men zegt van de werken der nieuwe meesters: het is Rembrandt-achtig, of: het is op Potter, Cuyp of Ruysdael gebaseerd, geïnspireerd, of hij heeft de Italiaansche school bestudeerd, enz. Daarbij komt dan hunne eigene opvatting der natuur; ze vermengen de herinnering aan schoonheden der ouden met hun individueel gevoel en hunne studie. Maar wat mij niet duidelijk is, het is waarom een schoon, modern landschap mij meer tot werken en studeren aanspoort dan een oud stuk. Het is misschien eene te sterke sympathie voor mijn tijd en wat daarin gedaan wordt, maar mogelijk ook ligt de oorzaak zoowel buiten als in mij en oefenen opvoeding, gesprekken, meeningen, die thans van kracht en invloed zijn, rigtingen, die men aangenomen ziet, alles wat om ons heen gebeurt en wat den dampkring bezwangert, dien men inademt, dien invloed uit. Is het u niet wel eens zoo gegaan met de letteren, en werkte het voorbeeld van Lamartine, van Hugo, van Balzac wel niet eens sterker dan de zuiverste werken der oude klassieken? Er is iets volmaakts, iets ernstigs en strengs in dat oude; er ligt eene diepe rust in; die mannen spreken uit hunne werken als plegtige stemmen uit het graf. Maar in het moderne woont men het streven en worstelen bij, men ziet hoe deze een stap vooruit doet, hoe een ander struikelt en een derde een vierde inhaalt. Men woont dien wedren bij, dien strijd van ieder tegen alles en allen, men ziet het woelen en dringen van den menschelijken geest, men stemt voor dezen, men valt genen af, men kiest en verwerpt, en ademloos wacht men op den uitslag, en de groote begeerte wordt opgewekt zelf mede te doen en eene plaats te verwerven.”

In 1862 is Bilders zijn tijd behoorlijk vooruit. Het schilderen van een al dan niet imponerend landschap is hem niet genoeg. Hij wil de indruk die de natuur maakt op zijn eigen ziel mededelen aan de beschouwer van het schilderij. Hij wil de kijker doen voelen, in plaats van tonen. Hij formuleert geheel nieuwe ideeën over kleur. Veel geciteerd is zijn zoektocht naar het ‘warme grijs’ dat alle andere kleuren in zich herbergt. Een voorloper, die het ongeluk had zich tussen wal en schip te bevinden: geen romanticus, ook geen ‘kopieerder van het dagelijks leven’, maar een impressionist toen het impressionisme door de schilders van de Haagse school definitief op de kaart werd gezet.

Toch verkocht Bilders af en toe een schilderij, maar niet vaak genoeg ook het zonder toelage van zijn beschermer, of zijn vader te kunnen stellen. In dezelfde brief als hierboven werd geciteerd vervolgt hij: “U zegt, dat ik zooveel belang stel in verkoopen, in schaggeren, zoo als u het noemt. Maar dat is ook wezenlijk voor mij en voor iedereen, die volstrekt geen geld heeft, eene eerste levensvraag. Er is maar weinig, dat iemand zoo nederdrukt als het gemis aan het noodige geld; weinig, dat iemand zoo klein maakt en zoo ongeduldig, en men moet al een zeer sterke geest zijn om zich wezenlijk te kunnen enthousiasmeren voor eene mooije schilderij of eenig ander kunstwerk, als men zich in duizend materieele moeijelijkheden bevindt, die regt hebben al onze overwegingen in te nemen en dat regt doen gelden, omdat ze ieder oogenblik van den dag gereed staan als een bedroevend feit aan te kloppen. Wanneer men in onophoudelijke onrust verkeert, omdat men aan zijne verpligtingen niet kan voldoen, omdat men gedwongen is zijne gedachten bezig te houden met het vormen van aanspraken tot kunstkoopers en liefhebbers, omdat men de onaangenaamste weigeringen moet verdragen, dan kan de geest niet altijd vrij genoeg blijven om zich te kunnen overgeven aan rein kunstgevoel. Men heeft meer dan de helft zijns levens te wijden aan de nietigste misères; de trotsche geest staat daar tegen op, vervalt tot bitterheid, voelt een onwil, een toorn tegen de omstandigheden over zich komen, welke een eeuwigen strijd in het binnenste voeren tegen alle mogelijke beginselen van geduld en gemoedelijkheid. Die strijd tegen de stoffelijke levensbezwaren buiten ons brengt wrevel en matheid aan, zoodat het geen wonder is, als men zegt: ik wenschte eene plaats te vinden, alwaar ik mijne krachten minder op die wijze behoefde te gebruiken, alwaar ik mij derhalve met al mijne geestvermogens en ligchaamskrachten kon wijden aan de kunst en hare uitoefening. […] Wat ik wensch zou niet wezen duur te verkoopen, doch eenvoudig mij rustiger te kunnen bewegen in mijn vak.”

Dat mocht niet zo zijn. Gerard Bilders was, zoals veel kunstenaars, een vat vol tegenstrijdigheden. Zeer verlegen in gezelschap, is hij zich er van bewust de mensen te vervelen “door meestal als een stenen man te zitten, als iemand die letterlijk niets te zeggen heeft.” Aan de andere kant kon hij zich schriftelijk uitstekend uitdrukken, zoals uit de citaten wel blijkt.

Bilders werd geplaagd door afwisselende stemmingen van lusteloosheid en grote gedrevenheid, van neerslachtigheid en dan weer optimisme. De correspondentie, die eindigt vlak voor zijn dood op 26-jarige leeftijd, laat de tragiek heel goed zien. Van meet af aan is duidelijk dat zijn steeds afnemende gezondheid de oorzaak is van zijn landerigheid. In begin schrijft Kneppelhout nog: “Eigenlijk dacht ik dat gij tot die soort van jongens behoordet, die niet weten wat ziek zijn is. Daarom had het reeds, toe gij bij mij waart, mijne attentie getrokken, u herhaalde malen te hooren kugchen.”

Dit gekuch is de eerste manifestatie van de tuberculose die Bilders fataal zou worden. Zijn vroege dood heeft verhinderd dat hij getuige was van de opkomst van een nieuwe generatie schilders, de Nederlandse tak van het impressionisme, waarvan hij met veel recht de voorloper genoemd kan worden.

Behalve een voor de geringe arbeidszame jaren groot oeuvre laat Gerard Bilders ons zijn brieven aan Kneppelhout, en dagboekfragmenten na. Ze zijn na zijn dood in zeer beperkte oplage uitgegeven.

Vincent van Gogh schreef in 1882 aan Theo: “Dezer dagen las ik gedeeltelijk een tamelijk melankoliek boek, “brieven en dagboek” v. Gerard Bilders. Die stierf op den leeftijd waarop ik zoowat begon, als ik dat lees ben ik niet rouwig laat begonnen te zijn. Zeker was hij ongelukkig en werd dikwijls miskend maar tevens vind ik een groote zwakheid in hem, iets ziekelijks in zijn karakter.– Het is zoo’n soort historie als van een plant die te vroeg opschiet en niet tegen den vorst kan en op een goeden nacht daardoor tot in den wortel geraakt wordt en dan verflenst. Eerst heeft hij het goed – is hij een meester als in de broeikas – vordert daar snel – maar te Amsterdam staat hij bijna alleen en ondanks zijn knapheid kan hij het er niet houden en hij komt eindelijk bij zijn vader t’huis terug, geheel ontmoedigd, ontevreden, lusteloos – en schildert daar nog wat en gaat eindelijk aan tering of een andere kwaal dood op zijn 28ste jaar.”

Vincents oordeel klinkt ons hard in de oren, misschien omdat de ziektegeschiedenis van Bilders, die ongetwijfeld ten grondslag lag aan zijn geestelijk welbevinden, in de beknopte uitgave van Kneppelhout niet zo duidelijk wordt. Van Gogh, zelf toch een bekwaam schrijver, herkende de literaire kwaliteit niet. Ook zag hij niet in dat wat voor hem gold: het schrijven als uitlaatklep voor de frustraties van de werkelijkheid, ook voor Gerard gold, zij het op een andere, tegen het einde bittere manier. “Wat is het toch een geluk voor personen in mijn gemoedstoestand,” schreef Gerard Bilders, “dat er papier is! Zoo iets geduldigs, geleidelijks, lijdends en zware lasten torschends zonder morren of boos worden! Wat is het wellustig en streelend woorden van nijd en beroerdheid zoo langzaampjes te kunnen neêrschrijven, letter voor letter, met voorbedachten rade!”

De brieven van Gerard Bilders, jarenlang Geheimtip onder kenners, worden tegenwoordig algemeen beschouwd als een hoogtepunt in de negentiende eeuwse literatuur. Deze maand verschijnt een integrale uitgave bij Waanders, bezorgd door Wiepke Loos, onder de titel Gekleurd Grijs. (AvG, eerder verschenen in Studio 2000 Magazine.)