holland op zijn mooist

De crisis van de kritiek

http://hollandopzijnmooist.nl/boeken/de-crisis-van-de-kritiek-2012/

De kunstkritiek staat zelf ook bloot aan kritiek. En eigenlijk is dat al vele jaren het geval. Niet alleen in de tegenwoordige tijd is er in de pers steeds sprake van een zogeheten crisis in de kunstkritiek, ook vroeger waren de critici het vaak volkomen oneens, en rolden vechtend over de vloer.
Bekend zijn de intensieve discussies over ‘vorm’ of ‘vent’ van de jaren dertig, die leidden tot ruzies en tot de oprichting van steeds nieuwe tijdschriften. In het huidige tijdsbestek lijkt de crisis eerder veroorzaakt te worden door enerzijds een gebrek aan aandacht en anderzijds door wat in het postsubsidietijdperk gezien wordt als ‘de vercommercialisering van de kunst’.

Het is de vraag wat men daar precies onder wil verstaan. Museumbezoek is tegenwoordig een massa-uitje. Wie onlangs de Jan Sluijterstentoonstelling in het Singer Museum te Laren bezocht, zal het herkennen: drommen mensen bij de kassa’s en stapels catalogi die gretig aftrek vinden. In de zijlijn van deze tentoonstelling hadden de organisatoren de gelukkige gedachte gehad om ook de liefhebberijschilders zelf hun werk tentoon te laten stellen.
Sommige van de bezoekers zijn vast niet naar het museum getogen vanwege kunstkritieken in de bladen, maar vanwege grote publiciteit die dergelijke activiteiten met zich meebrengen. Het publiek heeft eigenlijk de kunstcriticus niet meer nodig om te bepalen of men naar een tentoonstelling wil gaan of niet.

Rond 1900 waren critici als Loffelt, Bremmer, De Gruyter, Havelaar en Plasschaert bijzonder belangrijk. Ze publiceerden veel en lang. De vele kranten hadden wekelijks meerdere stukken waarin tentoonstellingen van beeldende kunst werden behandeld. De critici stelden zich tot taak om voor te lichten en de publieke smaak te leiden. Nieuwe kunst – en alle kunst was ooit nieuw – moest geduid worden, en het publiek moest over de drempel van dat nieuwe heen gebracht worden. Henk Bremmer had zelfs een eigen tijdschrift en gaf lessen in kunstbeschouwing.

Schermafbeelding 2015-10-09 om 16.27.08

Willem Maris: herijkt

Door deze leidende rol zijn de kunstcritici van grote invloed geweest op de canon van de Nederlandse schilderkunst. Het is een interessante vraag of deze Nederlandse canon (met Van Gogh, Sluijters, Breitner, Israels, en dergelijke schilders aan top voor de moderne kunst) er ook zo uit had gezien als de critici er niet waren geweest, of andere voorkeuren hadden gehad. Voor sommigen is het antwoord simpel: deze kunstenaars zouden er toch wel zijn gekomen. Het oordeel van de critici was ongetwijfeld van belang, in de zin dat ze de aandacht op de nieuwe generatie kunstenaars hebben gevestigd, maar het was niet doorslaggevend. Dat blijkt wel uit de vele gevallen waarin gerenommeerde critici hoog opgaven van schilders waarvan de reputatie na verloop van vele jaren soms ook geheel terecht is weggezakt. Bremmer stelde Van Daalhof zo ongeveer op gelijke hoogte met Van Gogh. De reputatie van de schilders van vroeger is misschien wel begonnen door aandacht van critici, maar heeft zich daarna zelfstandig ontwikkeld.

De kunstkritiek heeft, dat was vroeger zo en nu nog, allereerst aandacht voor het nieuwe. Pas bij grote overzichtstentoonstellingen, zoals die van Sluijters in Singer, vindt er een soort herijking plaats, wordt de reputatie van een gevestigd schilder weer eens opnieuw onderzocht, met in dit geval een weinig verrassend resultaat: Sluijters is nog steeds een fantastisch schilder. De herijking is succesvol, en zelfs wordt door de grote aandacht in pers en op televisie weer een nieuw jong publiek met Sluijters in aanraking gebracht.

Van sommige van deze reprises hoeft niet zozeer het publiek te worden overtuigd, maar juist de professionele beschouwer. Een aardig voorbeeld biedt de tentoonstelling van het werk van Willem Maris in het Haagse Gemeentemuseum. Conservator Hans Janssen stelt het heel duidelijk, in VPRO’s De Avonden: Maris was een fantastische schilder die een zeer moderne visie had op iets zeer Hollands, namelijk het typische weidelandschap. Buitenlandse gasten van het museum worden door Janssen meegenomen naar Nieuwkoop, of andere plaatsten in het groene hart, waar ze kunnen constateren dat dit landschap meer is dan een idylle, maar dat het ook werkelijk bestaat.

De kritische journalist van het programma echter liet duidelijk zijn scepsis merken. Ook de krantenartikelen over de tentoonstelling doen nogal schouderophalend over de meester Willem Maris. Leuk, maar achterhaald, proef je tussen de regels door. Het grote publiek trekt zich daar niets van aan, en er staan lange wachtrijen voor het museum. Waarschijnlijk zal het overzichtsboek – dit een catalogus te noemen is te weinig eer – dat ter gelegenheid van de tentoonstelling is verschenen eerder voor de positieve herijking zorgen dan de artikelen die in kranten en bladen verschijnen.

Piet Mondriaan

Piet Mondriaan

Het is dus maar de vraag in hoeverre de reputatie van een kunstenaar wordt bepaald door de kritiek. De kunstwereld bestaat uit meer dan critici alleen. De Britse kunsthistoricus, en vroegere directeur van de Tate Gallery, Alan Bowness onderscheidt vier cirkels waarin de beginnende en groeiend kunstenaar zijn carrière moet vormgeven. Allereerst zal hij onder zijn collega-schilders, die hij veelal kent van de academie, waardering en liefst bewondering moeten vinden. Vervolgens moeten de critici, en de curatoren van musea en andere professionals hem de moeite waard vinden om over te schrijven en zijn werk te laten zien. Een stadium verder zijn het dan de commerciële partijen, de handel, de galeries en ook de grote professionele verzamelaars die de roem verder verspreiden, tot tenslotte het grote publiek de kunstenaar kent, en instemmend klinkt wanneer zijn naam ergens wordt genoemd. De roem is dan inmiddels misschien zelfs zo groot dat ook degenen die het werk eigenlijk maar matig appreciëren of het niet eens kennen, niet om de reputatie van de kunstenaar heen kunnen. Mondriaan kent meer bewonderaars van zijn kunstenaarschap dan van zijn werk. Zo bezien mankeert er niets aan de carrière van Vincent van Gogh. Was hij niet voortijdig gedood door de twee Franse puberjongens (dat is althans de versie van de twee biografen die de meest recente biografie schreven), dan was zijn carrière volgens het boekje van Bowness verlopen.

Wie de loopbaan van de grote Nederlandse kunstenaars bekijkt, moet beamen dat er iets in zit, in deze theorie. Allemaal begonnen ze met roem te oogsten onder de tijd/beroepsgenoten. Het zijn de kunstenaars zélf die als eerste de talenten in hun eigen kring ontdekten. En het waren de critici die hun roem voor het eerst buiten deze kleine kring brachten. De critici volgden de trends in binnen en buitenland, en ofschoon ze hun eigen voorkeuren en specialismen hadden, zaten ze vaak op één lijn. Over het talent van de Tachtigers Van Looij, Breitner, Witsen en Israels was iedereen het eigenlijk ook tijdens hun leven al eens. Over de rigoreuze stappen die de modernisten vervolgens maakten liepen de meningen meer uiteen, maar er waren maar weinig critici die géén oog hadden voor het symbolisme, of die het luminisme, fauvisme, kubisme of andere stromingen geheel en al afwezen. Er was eigenlijk een grote consensus over deze nieuwigheden. Toch is het de vraag of niet gelijktijdig de handelaren en de verzamelaars een net zo grote rol speelden als de critici. Breitner mag dan door de besprekers van zijn werk meteen al gunstig zijn onthaald, zonder de steun van verzamelaar Van Stolk zou hij geen mogelijkheid hebben gehad om door te schilderen. De handelaren zorgden vaak voor de randvoorwaarden die voor het scheppen nodig waren. Marius Bauers reizen naar het Verre en Nabije Oosten werden betaald door kunsthandelaar Van Wisselingh, die daar dan wel etsen voor terug verlangde. Die vele etsen waren er zonder de critici wel, maar zonder Van Wisselingh beslist niét geweest.

De invloed van deze verschillende spelers die te samen ‘de kunstwereld’ uitmaken staat erg in de belangstelling. Niet alleen worden de werken van kunstenaars zelf grondig bestudeerd, de receptiegeschiedenis is al even belangrijk. Ook dat kan men weer duidelijk aflezen aan de publicatie bij de voornoemde Sluijters-tentoonstelling. Die gaat lang niet alleen over Sluijters’ verrichtingen, maar heel veel ook over hoe het werk ontvangen werd. Vorig jaar nog verscheen er een interessante Utrechtse afstudeerscriptie (tegenwoordig: masterthesis) van de hand Paula Hertog, die een onderzoek deed naar de voorspelbaarheid van succes in de moderne en hedendaagse beeldende kunst. Het kunstwerk en de canon, heet die thesis. Ook zij concludeert dat Bowness’ vier-cirkeltheorie niet goed klopt, en dat zijn bewijsvoering niet helemaal deugt. Hij demonstreert de theorie eigenlijk alleen maar aan de hand van kunstenaarslevens die achteraf succesvol zijn gebleken. Het zou de moeite lonen om eens te studeren op al die gevallen waarin aanvankelijk reputaties, in eigen kring, bij critici en musea, later weer verdampten, en misschien daarna weer opkwamen.
Alleen voor de allergrootsten (Rembrandt) is dit gedaan. Hertog ziet bovendien nog een vijfde groep, namelijk die der kunsthistorici, die ook van invloed zijn. Zij schrijven immers de handboeken, en de mate waarin een kunstenaar daarin plaats krijgt, is sterk bepalend voor de reputatie.
Overigens is de wereld van het museum en die van de academische kunstgeschiedenis niet zinvol van elkaar te onderscheiden. Het museum heeft kunsthistorici in dienst en veel van de kunsthistorische publicaties vinden plaats in het kader van tentoonstellingen. De herijking van het werk van Willem Maris door Janssen, is eigenlijk een geslaagde multimediale aangelegenheid. Museum, kunsthistoricus, krantenschrijvers, televisiemakers, allen grijpen de gebeurtenis aan om met Maris opnieuw naar de Haagse landschapskunst te kijken. Ongetwijfeld zal de handel hier eveneens opvolging aan geven, en zal de gemiddelde prijs van een Willem Maris er geen schade van ondervinden.
Je zou kunnen zeggen dat in elk geval bij de niet hedendaagse kunst de vier cirkels van Bowness gelijktijdig aan het werk zijn. De criticus heeft wel een rol, maar het is een ondergeschikte.

Dat er aan de kunstkritiek nog steeds grote waarde wordt gehecht, en dat men vindt dat die waarde in gevaar is, blijkt wel uit het feit dat er een prijs voor de jonge kunstkritiek bestaat. In 2010 werd die prijs toegekend in twee categorieën: Essay en Recensie. Het initiatief is toe te juichen, juist omdat het wil stimuleren een zo breed mogelijk publiek met kunst van nu en van toen in aanraking te brengen. De initiatiefnemers (De Appel, Witte de With en Fonds BKVB) schrijven: “De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek wil tegenwicht bieden aan de marginalisering van kunstkritiek in de algemene week- en dagbladen en het belang van de rol van de kunstcriticus in de hedendaagse maatschappij benadrukken. Onder het mom van commerciële belangen worden cultuurredacties gedwongen over te gaan tot vermindering van zowel het aantal recensies als de lengte hiervan ten faveure van vlot weglezend cultuurnieuws. Binnen de kranten wordt gepoogd de cultuurverslaggeving ‘op te frissen´ en worden de berichten geschaard in media & entertainment-bijlagen en uitgaansagenda´s. Steeds minder critici zijn in vaste dienst bij de ‘kwaliteitspers’ en het vak dreigt te degraderen tot een ‘bijbaan’ van journalisten of professionals uit de kunstwereld.”

Dat dit juist is blijkt wel als men oude krantenleggers openslaat. Zoals gezegd: geen krant zo klein of er stonden wekelijks twee of meer keer vrij grondige beschouwingen in over actuele kunst. Niet allemaal van even onthoudenswaardige kwaliteit, maar een contrast is het wel. De afnemende ruimte die critici krijgen spreekt boekdelen over de waardering van de kunst, zeggen de initiatiefnemers. “Het is een tendens die akkoord gaat met het verstaan van kunst als consumptieartikel, die zijn enige legitimatie behaalt aan zijn nieuwigheid of ´gebruikswaarde´. In de kritiek resulteert dit in oppervlakkige omschrijvingen, waarbij het ontbreekt aan begrip van de specifieke context of (kunst)historische kennis in het algemeen. In een tijdperk waar men overspoeld wordt met beelden is er nood aan kritische reflectie op de betekenis van deze beelden. In de woorden van de juryvoorzitter van de eerste editie van de prijs: “De kunstcriticus heeft een te belangrijke rol te spelen, hij kan de brug zijn tussen kunstwerk en toeschouwer, de kunst ontsluiten voor de rest van de wereld. Hij kan opvoeden, enthousiasmeren, verbazen. Kunst in een wereld die ophoudt te denken en kijken is louter nog decor. Een beeldentuin waarin de mens zich gedachteloos rondwentelt.” – Oscar van den Boogaard, in het juryrapport van 2008. Toch is het ook niet uitgesloten dat ook de aard en kwaliteit van veel – tot voor kort gesubsidieerde – hedendaagse kunst zélf de oorzaak is van de kloof met het publiek. Een criticus kan veel, maar geen ijzer met handen breken.

Ook is het de vraag of ‘het verstaan van kunst als consumptie-artikel’ wel zo kwalijk is, en wel zo kenmerkend voor onze tijd. Ook in de gloriedagen van Plasschaert, Bremmer en Havelaar moest kunst gekocht worden, al was het door een mecenas. Zo niet, dan verdween de kunstenaar van het toneel. Toch sloot die noodzaak tot commercie vernieuwing, artistieke inhoud en relevantie niet uit: de besten konden deze aspecten verenigen. Van Dongen, Appel, Picasso, het waren uitstekende marketeers. Misschien is dus de crisis van de kritiek geen echte crisis maar een rimpeling, een overgang naar een nieuwe realiteit waarin de kunst zijn weg zal vinden. (AvG, St2000Mag 2012)